mardi, novembre 13, 2012

Dooyeweerd: Rationalism's Critical Flaw (5)


Post (1) in this series can be found HERE.
Follow sequence thereafter via "NEWER POST" button (extreme bottom left of each post).

How does philosophical thought attain to the Idea of the totality of meaning?
     The proper character of philosophical thought, as we have said, may never be disregarded with impunity. Philosophical thought is theoretic thought directed towards the totality of meaning. Therefore, I must first give my thought a fixed direction in the idea of the totality of meaning.
     If this idea (1) is not to remain completely without content, if it is to succeed in showing a direction to my philosophical thought, then it must be possible that I, who am to practise philosophy, should choose my standpoint in this totality of meaning of our temporal cosmos. For, unless such a standpoint can be found, the latter will remain strange to me. In my central selfhood I must participate in the totality of meaning, if I am to have the idea of it in my philosophical thought.
     To speak in a figure: In the process of directing my philosophical thought in the idea towards the totality of meaning, I must be able to ascend a lookout-tower above all the modal speciality of meaning that functions within the coherence ofthe modal aspects. From this tower I must be able to survey this coherence with all the modal diversity of meaning included in it. Here I must find the point of reference to which this modal diversity can be related, and to which I am to return in the process of reflecting thought. In other words, if I am not to lose myself in the modal speciality of meaning during the course of philosophic thought, I must be able to find a standpoint which transcends the special modal aspects. Only by transcending the speciality of meaning, can I attain to the actual view of totality by which the former is to be distinguished as such.
__________
(1) Translator's note: "Idea" is used here in the technical sense of a "limiting concept" which refers to a totality not to be comprehended in the concept itself. W. Y.
__________
The Archimedean point of philosophy and the tendency of philosophical thought towards the Origin.
     This fixed point from which alone, in the course of philosophical thought, we are able to form the idea of the totality of meaning, we call the Archimedean point of philosophy.
     However, if we have found this Archimedean point, our selfhood makes the discovery that the view of totality is not possible apart from a view of the origin or the ἀρχή of both totality and speciality of meaning.
     The totality in which our selfhood is supposed to participate may indeed transcend all speciality of meaning in the coherence of its diversity. Yet it, too, in the last analysis remains meaning, which cannot exist by itself, but supposes an ἀρχή, an origin which
creates meaning.
     All meaning is from, through, and to an origin, which cannot itself be related to a higher ἀρχή.
     The genetic relativity of meaning, the fact that it is not self-sufficient, lies in its very character. And if it is impossible that philosophical thought be something different from theoretical thought directed to the totality of meaning of our cosmos, then the direction toward the ἀρχή is necessarily included in its tendency to totality.
     All genuine philosophical thought has therefore started as thought that was directed toward the origin of our cosmos. From the outset, non-Christian philosophy sought this origin within the realm of meaning itself, although it gave many exalted names to it. However, for the present I am not concerned with this fact. My sole concern at this moment is to place in the forefront the basic genetic tendency of philosophical thought as thought directed to the origin.
     The introduction of the critical question as to the limits of our knowledge would be premature at this stage. The epistemological problem: What are the limits to our knowledge? presupposes, in fact, some insight into the meaning of knowledge as necessarily related to the ego. So long as this insight has not been achieved, the appeal to the epistemological inquiry is premature; it may seemingly banish the whole of the basic genetic tendency from philosophical thought, but this verdict can never be peremptory.
Dr J. Glenn Friesen's Dooyeweerd Glossary
HERE

Free download of entire "New Critique of Theoretical Thought" 
_________________________
Hoe komt het wijsgeerig denken tot de idee der zintotaliteit?
     Wijsgeerig denken, zoo zeiden wij, is in zijn eigenlijk, nimmer straffeloos te miskennen, karakter: op de zin-totaliteit gericht, kosmologisch denken.
     Zal echter zelfs maar een aanvang met het wijsgeerig denken worden gemaakt, dan moet ik reeds in de idee der zin-totaliteit mijn denken een vaste richting hebben gegeven.
     Zal deze idee niet volstrekt zonder inhoud blijven, zal zij dus inderdaad mijn wijsgeerig denken een richting wijzen, dan moet het mij, die de wijsbegeerte wil beoefenen, mogelijk zijn, zelf in die zin-totaliteit van onzen kosmos standplaats te kiezen, opdat ze mij niet vreemd blijve. Ik moet in mijn zelf-heid deel hebben aan die zin-totaliteit, zal ik in mijn wijsgeerig denken er de idee van hebben.
     In een beeld gesproken: Mijn wijsgeerig denken in de idee richtende op de zin-totaliteit, moet ik zelf boven alle, binnen den wereld-samenhang fungeerende zin-bijzonderheid, een uitzichttoren kunnen bestijgen, van waaruit ik dien wereldsamenhang met alle daarin besloten zin-verscheidenheid kan overzien. Ik moet m.a.w. een standpunt kunnen innemen, dat uitgaat boven alle bijzondere functies, waarin ik zelve binnen den wereldsamenhang actueel werkzaam ben, zal ik mijzelf niet, wijsgeerig denkende, in de zin-bijzonderheid verliezen. Slechts in transcendeering boven de zin-bijzonderheid kan ik den actueelen blik der zin-totaliteit over haar winnen.

Het Archimedisch punt der wijsbegeerte en de oorsprongstendenz van het wijsgeerig denken.
     Dit vaste punt, van waaruit wij, wijsgeerig denkend, ons de idee der zin-totaliteit alleen kunnen vormen, noemen wij het Archimedisch punt der wijsbegeerte.
     In het Archimedisch punt staande, doet onze zelfheid echter de ontdekking, dat de blik der zin-totaliteit niet mogelijk is zonder den blik op den oorsprong, de ἀρχή van zintotaliteit en zin-bijzonderheid beide.
     Immers de zin-totaliteit van onzen kosmos, waaraan onze zelfheid ondersteld wordt deel te hebben, moge als actueele volheid van zin alle zin-bijzonderheid in den samenhang harer verscheidenheid transcendeeren, maar ook zij blijft ten slotte zin, die niet op zich zelve kan bestaan, maar een zin-gevenden oorsprong, een ἀρχή onderstelt.
     Alle zin is uit, door en tot een oorsprong, die niet zelve zin kan zijn.
     De genetische betrekkelijkheid, de onzelfgenoegzaamheid van den zin ligt in zijnwezenskarakter en wanneer het wijsgeerig denken niet anders kan zijn dan op de zin-totaliteit van onzen kosmos gericht denken, dan ligt ook de richting op de ἀρχή noodwendig in zijn totaliteitstendenz opgesloten.
     Alle wezenlijk wijsgeerig denken is dan ook begonnen als denken, dat op den oorsprong van onzen kosmos was gericht. Dat deze oorsprong door de niet-Christelijke wijsbegeerte van meetaf immanent in den tijdelijken zin werd gezocht, met welke verheven namen hij ook werd aangeduid, is een punt, dat ik hier voorloopig nog laat rusten. Het is er mij thans slechts om te doen de genetische grondtendenz van het wijsgeerig denken als denken uit en tot den oorsprong op den voorgrond te stellen.
     Een ontijdige inzet van het critisch motief i.z. de grenzen onzer kennis (ontijdig namelijk, wanneer niet wordt ingezien, dat de wijsgeerige vraag: Waar liggen de grenzen onzer kennis? een inzicht in den zin der kennis, in haar noodwendige betrokkenheid op de ikheid, voor-onderstelt), moge schijnbaar deze geheele, op den transcendenten oorsprong gerichte, genetische grondtendenz uit het wijsgeerig denken bannen, dit banvonnis kan niet peremptoir zijn.
________
Free download of entire "De Wijsbegeerte der Wetsidee