mercredi, novembre 21, 2012

Dooyeweerd: Rationalism's Critical Flaw (11)


Post (1) in this series can be found HERE.
Follow sequence thereafter via "NEWER POST" button (extreme bottom left of each post).

Does the so-called transcendental subject of thought satisfy the requirements for the Archimedean point?
     With all sorts of terms not properly analysed in their meaning, the attempt is made to suggest to us, that we possess such a unity beyond the diversity of meaning in philosophic thought. The "transcendental consciousness", the "transcendental cogito", the "transcendental unity of apperception", the "transcendental logical ego" and such like are conceived of as the subjective pole of thought, to which the empirical world is related as "Gegenstand".
     This unity is thought of as a logical unity of the thinking consciousness which does not imply any multiplicity or diversity of moments. Instead, every special synthesis of a multiplicity of perceptions should be necessarily related to this unity.     
     Consequently, the latter should also transcend the coherence of the modal aspects. For, indeed, this inter-modal coherence of meaning, too, presupposes the transcendental subject of thought as central logical point of reference.
     However, this argument rests upon a serious misunderstanding which is caused by the pitfall concealed in the conception of the "transcendental cogito" itself.
     For the latter neglects the basic transcendental problem concerning the relation of the ego and its logical function of thought (1).
____________
(1) "Pure transcendental thought" is always meant in a logical sense. For the other modal aspects of the real act of theoretical thinking e.g. the psychical [sensory] or the historical, do not satisfy the requirements of "pure thought" in the sense which is meant here. Only the linguistic aspect is usually comprehended in it, but in a strict conception of "pure thought" that aspect, too, should be eliminated, because it cannot be "pure" in the sense ascribed to "transcendental reflexive thought". "Linguistic signification", taken in its modal meaning, remains always bound to time, and to the coherence with the other modal aspects of temporal reality. Only by reducing the linguistic aspect of meaning to a purely logical one can it be maintained as belonging to supposed "pure thought". However, we shall see, that the logical function of thought itself is nothing without the inter-modal coherence of meaning.
____________
     It may be true that I myself transcend the coherence of all modal aspects of meaning, but this does not hold good for my logical function of thought. The unity of the ego which thinks cannot be of a transcendental logical character. For the ego is the concentration-point not only in respect to my logical, but to all of my modal functions. The logical unity of the thinking subject remains a unity within a multiplicity of moments. For the logical aspect together with all other aspects is also bound to the inter-modal coherence of meaning. As we shall show in detail in a later context of our inquiry, this coherence is expressed in its own modal structure, and the latter is the very transcendental condition of our logical function of thought. Consequently, the logical function of the act of thought does not transcend the modal diversity of meaning, and therefore it must lack that unity above all multiplicity which characterizes the central ego.
     But, it will be objected, is not the very diversity of meaning which is in view, a state of affairs that is meaningful only for thought that makes distinctions? Thus it may be true that the logical function of thought, so far as it is still conceived of as an aspect of experienced reality, is confined to the diversity of meaning. But this does not prove that the transcendental-logical subject of thought (understood as the ultimate subjective pole of thought) is unable to transcend the coherence of the modal aspects. On the contrary, does it not appear, just at this point, that all modal diversity of meaning is irreversibly dependent upon this transcendental subject of thought, and does it not appear that in respect to the latter we can in fact speak of a "Transcendenz in der Immanenz"? At this juncture we  have indeed approached a very fundamental point in our discussion with the adherents of the so-called "transcendental" immanence-standpoint.
     In the last objection we meet a new pitfall, which we have to lay bare carefully, in order that it shall not catch us again and again.
     We must attribute logical meaning to the subjective pole of thought under discussion in so far as it is conceived of as an ultimate logical unity of our thinking self-consciousness; and more precisely, in so far as it is presented as a subjective logical pole of philosophical thought, we must attribute theoretical logical meaning to it.
     Now in the sequel, we shall demonstrate in still further detail, that in theoretical thought we are constantly active in an opposition of the non-logical aspects to the logical aspect of meaning. It is from this very opposition that the theoretical problem is born.

Dr J. Glenn Friesen's Dooyeweerd Glossary
Free download of entire "New Critique of Theoretical Thought" 
________________________

Voldoet het zgn. transcendentale denksubject aan de eischen van Archimedisch punt?
     Met allerlei, in hun zin niet behoorlijk geanalyseerde termen poogt men ons te suggereeren, dat wij in het wijsgeerig denken zulk een eenheid boven de zin-verscheidenheid bezitten: het ‘transcendentale bewustzijn’, het ‘transcendentale cogito’, het ‘phaenomenologisch gezuiverd bewustzijn’ (als het absolute, zin-gevend bewustzijn) enz. enz., gedacht als subjectieve denk-pool waartegenover al het kenbare in de tegenpool der voorwerpelijkheid komt te staan.
     Deze immanente subjectieve denkpool, die wij reeds als het product van een theoretische abstractie leerden kennen, zou als Archimedisch punt dan dus ook allen samenhang der bijzondere zinzijden van onzen kosmos moeten transcendeeren.
     En inderdaad, verheft zich het denken in zijn subjectieve pool niet reeds daardoor boven allen zin-samenhang in de zin-verscheidenheid dat ik dien zin-samenhang moet denken, zal ik er over kunnen spreken?
     Intusschen berust deze redeneering op een ernstig misverstand, dat veroorzaakt wordt door den valstrik, die in de opvatting van het zgn. ‘transcendentale cogito’ zelve verscholen ligt.
     Wanneer het waar is, dat ik zelve den samenhang van alle bijzondere zin-zijdender kosmische werkelijkheid transcendeer, dan geldt ditzelfde daarom nog niet voor mijn denk functie in haar nimmer tot ‘Gegenstand’ van mijn denken te maken subjectieve actualiteit. Stel in de plaats van het cogito, het credo, in de plaats van het ‘ik denk’, het ‘ik geloof’.
     Men zal moeten toegeven, dat ik op den samenhang tusschen de bijzondere zin-zijden van onzen kosmos niet slechts mijn denken, maar ook mijn geloofsfunctie kan richten. Transcendeer ik nu daarom in mijn geloofsfunctie den zin-samenhang mijner functies in den kosmos, is er m.a.w. ook een immanent actueele geloofspool, waarin de zin-verscheidenheid in haar samenhang getranscendeerd wordt?
     Maar gelooven en denken zijn in hun functioneelen zin verscheiden en deze kosmische zin-verscheidenheid kan ik in mijn denken zelve niet transcendeeren, evenmin als in mijn immanente geloofsfunctie.
     Maar, zoo zal men tegenwerpen, de bedoelde zin-verscheidenheid is toch zelve een stand van zaken, die eerst zin heeft voor het onderscheidend denken? Alzoo: het moge waar zijn, dat de denkfunctie, voorzoover zij nog zelve als zijde van de ervaarbare werkelijkheid gedacht wordt, in de zin-verscheidenheid bevangen is, maar dat bewijst niet, dat ook het transcendentale denk-subject, als subjectieve denk-pool, den samenhang der zin-zijden niet zou transcendeeren. Integendeel, blijkt niet juist hier, dat alle zinverscheidenheid onomkeerbaar van dit transcendentale denksubject afhankelijk is, dat wij bij de subjectieve denkpool inderdaad van een ‘Transcendenz in der Immanenz’ kunnen spreken? Wij zijn hier inderdaad tot een zeer principieel punt in onze discussie met de aanhangers van het zgn. ‘transcendentale’ immanentiestandpunt genaderd.
     In de laatste tegenwerping is een nieuwe valstrik verborgen, dien wij met zorg hebben bloot te leggen, zal hij ons niet telkens gevangen nemen.
     In de subjectieve denk-pool, waarvan hier voortdurend sprake is, woont als denk-pool logische zin en als subjectieve pool van het wijsgeerig denken nader: theoretisch-logische zin.
     Gelijk wij in het vervolg nog uitvoerig zullen aantoonen, zijn wij in het theoretisch denken steeds werkzaam in een tegen-overstelling van het niet-logische aan den immanent-logischen zin van het denken en wordt juist in die tegen-overstelling het theoretisch probleem geboren.
Free download of entire "De Wijsbegeerte der Wetsidee"